Ze legde haar hand op de mijne. “Het is tijd dat je stopt met het verbergen van dingen. Alles wat je hebt gedaan, alles wat je hebt verzwegen… het is voorbij.”
Ik voelde tranen opwellen. Niet alleen om Vanessa, niet alleen om de schuld, maar om mezelf. Ik had alles kapotgemaakt. Ik had niet alleen vertrouwen gebroken, ik had misschien iemands leven op het spel gezet, en nu moest ik ook de gevolgen onder ogen zien.
De volgende ochtend werd ik wakker op de bank, de tv nog zachtjes aan, het shirt nog steeds zichtbaar op het bed. Emily was verdwenen naar haar werk, maar de stilte in het huis was zwaar, bijna tastbaar. Ik wist dat ik moest handelen. Ik moest mezelf aangeven, eerlijk zijn. Maar hoe? Wat moest ik zeggen?
De telefoon rinkelde. Het was een onbekend nummer. Mijn handen trilden terwijl ik opnam.
“Is dit meneer D.” De stem was koel, professioneel. “Ik bel van de politie. We hebben vragen over Vanessa. Kunt u naar het bureau komen?”
Mijn maag kromp ineen. “Ja… natuurlijk,” antwoordde ik met een stem die nauwelijks mijn eigen angst verborg.
Op het bureau aangekomen, werd ik direct meegenomen naar een kleine verhoorkamer. De muren waren wit, fel verlicht, en overal hing een geur van schoonmaakmiddel. Een vrouwelijke rechercheur zette een stap naar voren. “Meneer D., we hebben aanwijzingen dat u de laatste was die Vanessa heeft gezien. Kunt u ons vertellen wat er gebeurd is?”
Mijn stem stokte. “Ik… we hebben afgesproken, een affaire… ik weet niet wat er is gebeurd. Ze… ze zei dat ze iets belangrijks moest doen… en toen… ze is dood.”
De rechercheur keek me scherp aan. “We moeten alles weten. Elke ontmoeting, elk bericht, elk telefoongesprek. Het is belangrijk voor ons onderzoek.”