Ze haalde opnieuw haar schouders op, alsof het vanzelfsprekend was dat ik dat niet zou begrijpen. “Suzie heeft haar laten meeslepen. Ze vertrouwt je moeder niet, dat weet je. Ze zei dat je moeder soms… tja, een beetje te betrokken raakt.”
“Te betrokken?” Mijn stem verhief zich. “Ze neemt mijn vrouw weg terwijl ik haar net uit het ziekenhuis wil halen! Dit is krankzinnig!”
Mijn moeder keek me aan met een mengeling van spijt en vastberadenheid. “Je moet kalm blijven. Eerst moeten we ervoor zorgen dat de meisjes veilig zijn. Suzie… ze maakt haar eigen keuzes. Misschien komt ze terug. Misschien moet ze tijd alleen hebben. Je weet niet wat er in haar hoofd omgaat.”
Ik voelde woede en frustratie door mijn lijf razen. Het idee dat mijn moeder een rol speelde in Suzie’s verdwijning, zelfs op de achtergrond, maakte me misselijk. Maar ik moest iets doen. Ik kon niet stil blijven zitten.
Ik pakte mijn telefoon en probeerde Suzie te bellen. Geen antwoord. Sms’jes, voicemails – allemaal onbeantwoord. Haar telefoon leek uitgeschakeld. Paniek nam toe. Het idee dat ze misschien iets ernstigs was overkomen, liet mijn hart bonzen.
“Je moet me vertellen wat je weet,” zei ik streng tegen mijn moeder. “Iets. Iets concreets.”
Ze zuchtte diep en ging zitten. “Ze had ruzie met een oude vriendin. Ze zei dat ze even moest nadenken over haar leven, over jullie leven. Ze voelde zich overweldigd door alles: de geboorte, de verantwoordelijkheid, de familie… ze heeft je briefje achtergelaten zodat je goed voor de meisjes zou zorgen. Ze wilde je niet kwetsen, maar ze had tijd voor zichzelf nodig.”
Mijn hoofd tolde van de verwarring en de woede. Hoe kon Suzie zomaar besluiten om te vertrekken? En waarom had ze mijn moeder erbij betrokken? Ik voelde me buitengesloten, verraden door degenen van wie ik dacht dat ik kon vertrouwen.