Die avond kon ik niet slapen. Ik lag naast de open haard, het zachte licht speelde op de muren, en ik dacht aan de truien die ooit zo warm waren geweest, aan de handen die ze hadden gebreid, en aan de liefde die in elke steek was geweven. Noah had die liefde omgezet in iets tastbaars voor anderen. En Rebecca had dat weggegooid, alsof de herinnering niets betekende.
De volgende ochtend besloot ik dat het zo niet verder kon. Ik kon niet toestaan dat zijn moeder, zelfs postuum, zo werd vernederd. Ik pakte mijn jas en belde Noah’s school. Ik vertelde hen over zijn project, over de konijntjes die hij had gemaakt, en hoe hij die wilde schenken aan kinderen in het ziekenhuis. Binnen enkele minuten stond ik met een klein busje vol dozen op weg naar het kinderziekenhuis.
Noah keek me aan terwijl we reden. “Denk je dat ze ze leuk zullen vinden?” vroeg hij zacht. Zijn stem brak een beetje, maar er was hoop in zijn ogen.
“Ze zullen ze prachtig vinden,” zei ik en kneep zijn hand vast. “Wees niet bang, Noah. Wat je hebt gemaakt, betekent iets. Het is speciaal, omdat jij het hebt gemaakt.”
Toen we aankwamen bij het ziekenhuis, werden we ontvangen door een verpleegster genaamd Marieke. Ze keek verbaasd naar de grote stapel dozen.
“Wat is dit allemaal?” vroeg ze.
“Noah heeft ze gemaakt,” zei ik terwijl ik mijn kleinzoon naar voren duwde. “Voor de kinderen die hier liggen.”
Marieke opende voorzichtig een doos. Binnenin lagen tientallen kleine, scheve paashaasjes, elk met een handgeschreven briefje eraan. Ze glimlachte en keek naar Noah met tranen in haar ogen. “Dit… dit is prachtig. Ze zullen dit geweldig vinden.”