Mijn handen begonnen te trillen terwijl ik naar de kom staarde.
“Wat is dit?” vroeg ik zacht, maar mijn stem klonk harder dan ik bedoelde.
Hue keek naar de grond. Haar schouders beefden licht.
“Het is niets…” fluisterde ze. “Ik had gewoon… trek in iets eenvoudigs.”
“Eenvoudig?” herhaalde ik. “Hue, dit is geen eten. Dit is… restafval.”
Ze zei niets.
Alleen haar stilte vertelde me genoeg.
Langzaam begon mijn hart sneller te kloppen. Niet van woede, maar van iets anders. Iets zwaarders.
Angst.
“Waar is mijn moeder?” vroeg ik.
Hue aarzelde.
“In haar kamer… denk ik.”
Ik draaide me om zonder nog iets te zeggen en liep door de gang. Elke stap voelde zwaarder dan de vorige. Mijn gedachten tolden.
Dit klopte niet.
Helemaal niet.
Ik duwde de deur van mijn moeders kamer open zonder te kloppen.
Wat ik zag… maakte alles nog verwarrender.
Ze zat op bed, comfortabel leunend tegen de kussens, haar telefoon in haar hand. Op het nachtkastje stonden lege verpakkingen van snacks, fruit en zelfs een halve doos dure koekjes.
Ze keek op, zichtbaar verrast.
“Oh, je bent vroeg thuis,” zei ze luchtig.
Ik bleef in de deuropening staan.