De rit naar de garage voelde langer dan hij werkelijk was.
De ruitenwissers bewogen ritmisch heen en weer terwijl de regen zachtjes op de voorruit tikte. Mijn handen trilden nog steeds licht op het stuur, niet alleen van de kou, maar van alles wat er zojuist was gebeurd. Vijftien jaar… in één middag weggevaagd alsof het niets was.
Ik had het adres nauwelijks bekeken toen mijn grootvader het me had nagelaten. “Het is oud,” had hij gezegd, “maar soms zit waarde in wat anderen niet zien.”
Ik begreep nu pas wat hij bedoelde… of misschien nog helemaal niet.
Toen ik de straat inreed, vertraagde ik automatisch.
Het was geen chique buurt. Geen glanzende ramen of nette voortuinen. Maar het was ook niet zo vervallen als ik had verwacht. Oude bakstenen gebouwen, kleine werkplaatsen, een paar auto’s geparkeerd langs de stoep. Stil. Rustig.
En toen zag ik het.
De garage.
Van buiten zag hij er precies zo uit als Richard hem had beschreven: oud, een beetje verweerd, met een metalen deur die betere tijden had gekend. Het dak had wat mosplekken en de verf bladderde af.
Ik parkeerde langzaam, stapte uit en voelde de koude lucht in mijn gezicht.
“Dit is het dan,” mompelde ik zachtjes.
Mijn nieuwe begin.
Of mijn laatste optie.
Ik haalde de sleutel uit mijn tas. Het metaal voelde zwaar in mijn hand, alsof het meer betekende dan alleen een deur openen. Even aarzelde ik.
Wat als het echt niets was?
Wat als ik hier alleen maar een lege, koude ruimte aantrof zonder elektriciteit, zonder warmte, zonder hoop?
Maar wat had ik nog te verliezen?
Ik stak de sleutel in het slot.
Een harde klik.
De deur ging piepend open.