Mijn hart begon zo hard te bonzen dat ik het in mijn keel voelde.
“Hoe lang?” fluisterde ik.
Leo keek naar de kaart. De rode stip bewoog langzaam… maar doelgericht.
“Tien minuten. Misschien minder.”
De badkamer voelde ineens veel te klein. De muren leken dichterbij te komen, de lucht zwaarder. Mijn vingers trilden terwijl ik me vastgreep aan de rand van de wastafel.
“De poort…” zei ik. “We zitten opgesloten.”
Leo knikte, maar zijn ogen waren scherp. Alert. Helemaal niet zoals het kind dat ik dacht te kennen.
“We hebben opties,” zei hij.
Ik staarde hem aan.
“Opties?” herhaalde ik. “Leo, hij heeft geprobeerd ons te—” Mijn stem brak. Ik kon het woord niet eens uitspreken.
Leo legde zijn hand kort op de mijne. Stevig. Rustig.
“We gaan hier niet blijven,” zei hij. “Luister goed.”
Hij tikte snel op de tablet en opende een ander scherm. Camerabeelden.
Mijn adem stokte.
“Hij heeft overal camera’s,” fluisterde ik.
Leo knikte. “Voor ‘veiligheid’, zei hij. Maar hij houdt alles in de gaten. Behalve één plek.”
Hij draaide het scherm naar mij toe.
De achtertuin.
Geen beeld.
“Dode hoek,” zei Leo. “Hij dacht dat niemand daar ooit zou komen omdat de poort op slot zit.”
Ik begon het te begrijpen.
“Maar hoe komen we daar?” vroeg ik.
Leo wees naar beneden.
“De kelder.”
We bewogen snel, maar zo stil mogelijk.
Mijn benen voelden nog steeds zwak, maar adrenaline duwde me vooruit. Leo gleed moeiteloos naast me, zijn bewegingen gecontroleerd, alsof hij dit al eerder had geoefend.
“Hoe lang…” begon ik.
“Later,” zei hij kort. “Focus.”
We bereikten de deur naar de kelder. Mijn hand trilde toen ik de knop draaide.
Een krakend geluid.
We verstijfden allebei.
Geen reactie van buiten.
Nog niet.
We gingen naar beneden.