De deur ging langzaam open en we stapten voorzichtig naar binnen. Het huis rook schoon, maar ook een beetje vochtig, alsof er veel water werd gebruikt. De agenten keken rond, en ik stond stil bij de ingang met een vreemd gevoel in mijn maag.
De oude man liep rustig voor ons uit door een smalle gang. Aan de muren hingen oude foto’s: een vrouw met een warme glimlach, twee kleine kinderen en een jongere versie van de man zelf. Het leek op een gezin dat ooit gelukkig was geweest.
Een van de agenten vroeg vriendelijk:
“Mijnheer, we willen u niet lastigvallen. Maar deze jonge man maakt zich zorgen. Veertien waterkannen per dag is… nogal veel voor iemand die alleen woont.”
De oude man keek even naar mij. Zijn blik was niet boos, eerder moe maar vriendelijk.
“Kom maar mee,” zei hij zacht.
Hij leidde ons naar de achtertuin. Toen hij de deur opendeed, bleef iedereen even staan.
Achter het huis lag een grote tuin. Niet zomaar een tuin – het leek bijna op een kleine groene oase midden in een stille buurt. Overal stonden planten: bloemen, kleine bomen, groenten en zelfs jonge fruitbomen.
Maar wat het meest opviel, waren de lange rijen met grote bakken en potten waarin honderden kleine plantjes groeiden.
De agent naast mij fluisterde:
“Dat zijn er… ontzettend veel.”