Amara’s ogen werden groot.
“Nu?”
“Ja,” zei de man met een warme glimlach. “Als je dat goed vindt.”
Ze aarzelde even, maar stond toen op.
Ze liepen door een rustige gang naar een privéruimte van het ziekenhuis op de luchthaven. Achter een glazen deur lag Richard Coleman op een bed, aangesloten op enkele monitoren.
Zijn gezicht was nog bleek, maar zijn ogen waren wakker.
Toen hij Amara zag binnenkomen, gebaarde hij dat ze dichterbij moest komen.
De kamer werd stil.
De mannen in pakken stapten naar achteren zodat ze konden praten.
Amara liep langzaam naar het bed.
“Hallo, meneer,” zei ze zacht.
Richard keek haar een paar seconden aan. Zijn blik was anders dan op televisie. Minder hard. Minder koud.
Meer menselijk.
“Jij bent het meisje,” zei hij met een schorre stem.
Ze knikte.
“Ik deed alleen wat mijn moeder me heeft geleerd.”
Richard zweeg even.
Toen gebeurde er iets wat bijna niemand ooit had gezien.
De beroemde, strenge miljardair glimlachte.
“Je hebt mijn leven gered,” zei hij.
Amara keek naar de grond.
“Ik wilde gewoon helpen.”
Richard haalde langzaam adem.
“Mensen noemen mij vaak de ‘IJskoning’,” zei hij. “Omdat ik nooit emoties toon.”
Hij keek naar het plafond, alsof hij ergens ver weg aan dacht.
“Maar vandaag… herinnerde jij me aan iets dat ik bijna was vergeten.”
Amara keek hem nieuwsgierig aan.
“Wat dan?”
Richard draaide zijn hoofd naar haar toe.
“Menselijkheid.”
Er viel een korte stilte.
Toen wenkte hij haar dichterbij.
“Kom even hier,” fluisterde hij.
Amara stapte voorzichtig naar voren.
Richard boog iets naar haar toe en fluisterde woorden die alleen zij kon horen.