Daniel staarde naar de inhoud van de gouden doos alsof hij een spook had gezien. Zijn gezicht verloor kleur, en zijn handen begonnen licht te trillen.
In de doos lag geen luxe horloge, geen gadget, geen exclusieve fles drank. Er lag een sleutelbos. Drie sleutels, zorgvuldig vastgebonden met een lint. En bovenop lag een kleine envelop.
Hij keek me aan.
“Wat is dit?”
Ik glimlachte rustig. “Maak de envelop maar open.”
Langzaam scheurde hij het papier open. Zijn ogen gleden over de woorden, en ik zag hoe zijn ademhaling veranderde.
“Een huurcontract?” vroeg hij schor.
“Ja,” zei ik kalm. “Voor een gemeubileerd appartement. Per direct beschikbaar. Op jouw naam.”
Er viel een stilte die zwaarder was dan elke ruzie die we ooit hadden gehad.
“Is dit een grap?” probeerde hij.
“Nee,” antwoordde ik. “Dit is geen grap. Dit is een oplossing.”
Hij stond op. “Dus jij zet míj het huis uit?”
Ik bleef zitten. Mijn stem bleef beheerst, maar vanbinnen voelde ik de kracht van maandenlange opgekropte pijn.
“Je zette mijn moeder op een matras in de gang,” zei ik. “Tijdens haar chemotherapie. Terwijl jij in een warm bed sliep.”
Hij zuchtte geïrriteerd. “Dat was maar tijdelijk. Ik zei toch dat de kamers behandeld werden tegen schimmel?”