De jongen ademde diep in, zijn handen trilden terwijl hij de hanger vasthield. Adrian zag het – niet alleen de angst, maar ook de herkenning. Iets in dat kleine juweel activeerde een keten van herinneringen die hij jarenlang had weggestopt.
“Het… het is van mijn moeder,” stamelde de jongen opnieuw. “Ze zei dat het nooit van mijn hals mocht komen. Ze zei… dat als iemand het herkende, alles zou veranderen.”
Adrian voelde een koude rilling over zijn rug lopen. De hanger was oud, bekrast, maar het edelsteenpatroon en de gravure waren hem duidelijk: dit was geen gewoon sieraad. Het was een sleutel. Een aanwijzing. Iets dat lang geleden als verloren was beschouwd.
“Hoe ken jij dit?” vroeg de jongen zacht. “Hoe weet je…” Hij stokte, zijn ogen groot van angst en verwarring.
Adrian wist dat hij voorzichtig moest zijn. Eén verkeerde beweging, één verkeerde woordkeuze, en de jongen zou in paniek raken – of nog erger, de vijand buiten zou het opmerken.
“Rustig,” zei Adrian. “Je bent veilig hier. Maar je moet alles vertellen. Wie heeft je achtervolgd?”