De lucht in Terminal B voelde ineens kouder, alsof de airconditioning speciaal voor mij was aangezet om me wakker te schudden uit een droom die te lang had geduurd.
Ik keek opnieuw naar de twee enveloppen.
Fertiliteitskliniek.
Mijn hart sloeg één keer zwaar, daarna nog een keer – sneller, onregelmatiger.
“Niet hier,” herhaalde Ethan zacht, maar zijn stem trilde.
Ik glimlachte niet meer.
De vrouw naast hem, Claire, deed een stap achteruit alsof ze zich ineens realiseerde dat ze midden in iets stond waar ze nooit in had moeten staan.
“Fertiliteitskliniek?” herhaalde ik rustig. “Interessant. Want ik dacht dat we al jaren bezig waren met ‘we zien wel wanneer het gebeurt’.”
Ethan slikte.
“Claire, ga even zitten,” zei hij tegen haar, maar ze bewoog niet.
Ik stak mijn hand uit. “Mag ik?”
De envelop in zijn hand.
Hij aarzelde.
Dat was alles wat ik nodig had om te weten dat ik gelijk had.
Langzaam nam ik hem aan.
Mijn vingers voelden vreemd kalm terwijl ik de rand openmaakte. Binnenin zaten medische documenten. Namen. Data.
En toen zag ik het.
Mijn naam stond er niet op.
Alleen die van hem.
En die van haar.
Mijn adem stokte even, maar ik dwong mezelf door te lezen.
“Embryo transfer… donor traject… partner consent…”
Mijn zicht werd scherper, bijna te scherp.
Ik keek op.
“Jullie hebben zonder mij een fertiliteitstraject gestart,” zei ik zacht. Geen vraag. Een vaststelling.
Ethan hief zijn handen iets op. “Claire, het is niet wat je denkt—”
Ik lachte kort.
Het was geen vrolijk geluid.
“Dat zeggen mensen alleen als het precies dat wél is.”
Claire’s ogen werden groot. “Wacht… hij zei dat jij wist van het traject.”
Ik draaide mijn hoofd langzaam naar haar.
“Wat zei hij nog meer?”