Ik draaide me om richting de garage.
De kou van de nacht voelde ineens anders. Niet alleen weer of temperatuur, maar iets dat dieper in mijn huid kroop. Elke stap terug naar de open garagedeur voelde zwaarder dan de vorige, alsof de lucht zelf me wilde tegenhouden.
Mijn hart sloeg zo hard dat het bijna mijn gehoor overstemde.
Iris zat veilig in de auto. Warmte aan. Deuren op slot. Dat was het enige dat nog telde.
Maar ergens achter me stond nog een vriezer.
Afgesloten.
En wat Iris net had gezegd, bleef in mijn hoofd hangen als een splinter die je niet kunt verwijderen:
“Degenen die niet terugkomen.”
Ik stak de garage weer in.
De deur kraakte zacht achter me, alsof het huis zelf me had gehoord.
De ruimte voelde anders dan daarnet. Niet omdat er iets veranderd was, maar omdat ík veranderd was. Alles wat eerder paniek was geweest, was nu iets scherpers geworden. Focus. Controle. Een soort stilte die gevaarlijker was dan angst.
Ik liep langs de dozen met mijn spullen zonder ze te zien.
Mijn ogen waren vastgeklonken aan die tweede vriezer.