Ik lag half rechtop in het ziekenhuisbed toen de deur openging.
Niet Eric kwam als eerste binnen.
Het was de stilte die hem voorafging.
Die soort stilte die ontstaat wanneer mensen al weten dat er iets onomkeerbaars is gebeurd.
Mijn moeder stond links van de deur, mijn zus Megan rechts. Tussen hen in stond een politieagent met een rustig gezicht en een notitieblok in zijn hand.
Eric bleef in de deuropening staan.
Alsof hij even moest inschatten of dit een kamer was waar hij nog controle had.
Zijn blik ging eerst naar mij.
Toen naar Megan.
Toen naar mijn moeder.
En uiteindelijk naar de agent.
“Wat is dit?” vroeg hij geïrriteerd. “Waarom is hier politie?”