De keukendeur zwaaide langzaam open.
De regen tikte nog steeds tegen de ramen, maar ineens leek elk geluid in de kamer harder te klinken. Het zachte gerinkel van bestek. Het gezoem van de koelkast. Mijn eigen ademhaling.
Caleb verstijfde.
Zijn hand bleef halverwege boven zijn koffiekop hangen.
Evelyn fronste haar wenkbrauwen.
In de deuropening stond een vrouw van ongeveer vijfendertig jaar oud. Donker haar, een nette jas en een leren map onder haar arm. Naast haar stond een oudere man met een grijs pak en een kalme, beheerste uitstraling.
“Goedemorgen,” zei de vrouw beleefd.
Niemand antwoordde.
Ik glimlachte.
“Kom binnen, alsjeblieft.”
Caleb draaide zich abrupt naar mij om.
“Wie zijn dat?”
Ik nam plaats aan de tafel, voor het eerst die ochtend niet als serveerster maar als gelijke.
“Dat,” zei ik rustig, “zijn mensen die jij waarschijnlijk liever niet ziet.”