Zondag kwam sneller dan ik had verwacht.
De hele zaterdag had mijn telefoon bijna onophoudelijk gebeld. Eerst mijn moeder. Daarna Brooke. Vervolgens mijn vader. Toen zelfs een paar familieleden die normaal gesproken alleen tijdens feestdagen contact opnamen.
Ik nam geen enkele oproep aan.
In plaats daarvan bracht ik de dag door met het ophangen van gordijnen, het inrichten van mijn slaapkamer en het genieten van iets wat ik jarenlang nauwelijks had gekend: rust.
Die zondagochtend werd ik wakker van het zachte zonlicht dat door het keukenraam viel. Voor het eerst voelde het huis echt als thuis.
Om kwart voor twaalf ging de deurbel.
Ik keek op mijn telefoon naar de camerabeelden.
Mijn ouders.
Brooke.
En tot mijn verbazing ook mijn tante Sharon en oom Mike.
Alsof er een familievergadering gepland stond waar ik niets van wist.
Ik opende de deur, maar bleef in de opening staan.
“Kunnen we praten?” vroeg mijn moeder.
“Dat hangt ervan af.”
Brooke rolde met haar ogen.
“Jenna, doe niet zo moeilijk.”
Ik glimlachte rustig.
“Dit is precies waarom ik jullie niet binnenlaat.”
Mijn moeder keek zichtbaar geïrriteerd.
“We zijn familie.”
“Dat weet ik.”
“Dan gedraag je je er niet naar.”
Ik haalde diep adem.
Vroeger zou ik me schuldig hebben gevoeld.
Vroeger zou ik waarschijnlijk hebben toegegeven.
Maar iets aan dat huis had me veranderd.
Misschien omdat elke steen, elke muur en elke betaling me herinnerde aan hoeveel moeite het had gekost om hier te komen.
“Nee,” zei ik rustig. “Ik gedraag me eindelijk precies zoals ik zou moeten.”
De stilte die volgde was ongemakkelijk.
Mijn tante Sharon keek van mij naar mijn moeder.