De woorden van het kleine meisje bezorgden me onmiddellijk kippenvel.
“Laat hem niet weten dat we daar zijn.”
Ze wees niet naar een willekeurige plek.
Ze wees naar het huis van hun ouders.
Mijn glimlach verdween.
Ik hurkte naast de vuilnisbak en probeerde rustig te blijven.
“Wie bedoel je met ‘hem’?” vroeg ik zacht.
De meisjes keken elkaar aan.
De ene sloeg haar armpjes om haar zus heen.
De andere schudde haar hoofd.
Alsof ze iets niet mocht zeggen.
Mijn maag trok samen.
Toch dwong ik mezelf om geen conclusies te trekken.
Kinderen zeggen soms vreemde dingen. Misschien waren ze gewoon bang omdat ze iets hadden uitgehaald.
“Zijn jullie verdwaald?” vroeg ik.
Beide meisjes schudden hun hoofd.
“Nee.”
“Zijn mama en papa thuis?”
Een korte stilte volgde.
Toen knikte één van hen.
Maar haar gezicht bleef gespannen.
Ik hielp de meisjes uit de vuilnisbak.
Hun kleren waren schoon.