De vader bleef aan de lijn met zijn zoon terwijl hij tegelijk de noodoproep van de politie afrondde. Zijn stem trilde, maar hij probeerde kalm te blijven voor zijn zesjarige jongen: “Blijf daar staan, luister goed naar mij. Je doet het geweldig. Binnen enkele minuten zijn er mensen die je en mama gaan helpen. Begrijp je dat?”
“Ja, papa,” fluisterde de jongen, terwijl hij zich zo klein mogelijk maakte langs de muur. Het tapijt onder zijn voeten voelde zacht, maar hij merkte het nauwelijks. Zijn oren waren gespannen, alert op elk geluid dat door de gesloten deur kwam.
De vader hing nog geen minuut later op bij de politie, legde de situatie uit, gaf het exacte adres en de situatie. De agenten bevestigden dat ze onderweg waren en vroegen hem om de jongen zo rustig mogelijk te houden. Maar hoe rustig kon je een zesjarige houden die net had gehoord dat zijn moeder pijn had?
Hij probeerde een gesprek te voeren over iets onschuldigs: “Heb je gisteren nog naar je favoriete tekenfilm gekeken?” vroeg hij, hoewel zijn stem allesbehalve ontspannen klonk.
“Ja… maar… papa, ik hoor nog iets,” zei de jongen, zijn stem trillend.
“Vertel het me, lieverd. Wat hoor je?”