De eerste weken bij Alejandro Castellanos waren overweldigend.
Niet vanwege luxe — hoewel die overal was.
Maar vanwege het tempo.
Zijn dagen begonnen om zes uur ’s ochtends met internationale videogesprekken en eindigden vaak na middernacht met dossiers die ondertekend moesten worden. Mijn taak was eenvoudig op papier: agenda beheren, afspraken filteren, reizen coördineren, communicatie stroomlijnen.
In werkelijkheid betekende het dat ik de poortwachter werd van een wereld waar elke minuut duizenden pesos waard was.
Op mijn tweede dag gaf hij me toegang tot zijn volledige agenda.
“Je gaat merken dat mensen mijn tijd willen bezitten,” zei hij terwijl hij me zijn tablet overhandigde. “Jouw werk is bepalen wie dat verdient.”
“En als ik het verkeerd inschat?”
Hij keek me aan, onderzoekend maar niet intimiderend.
“Dan leer je.”
Geen dreiging. Geen druk.
Vertrouwen.
Dat maakte me nerveuzer dan welke waarschuwing ook.
—
De villa in Lomas de Chapultepec voelde in het begin als een museum waar ik per ongeluk was binnengelopen. Marmeren vloeren. Hoge plafonds. Kunstwerken waarvan ik de waarde niet durfde te googelen.
Maar achter die façade ontdekte ik iets anders.
Alejandro werkte niet als een man die rijk was geworden door geluk. Hij werkte als iemand die alles voortdurend kon verliezen.
Ik zag het in de manier waarop hij rapporten doorlas. In hoe hij details onthield. In hoe hij luisterde tijdens vergaderingen.
Hij was scherp.
Maar nooit neerbuigend.
Op een avond, na een lange dag, bleef ik te lang naar een spreadsheet staren. De cijfers begonnen te dansen.
“Wanneer heb je voor het laatst geslapen?” vroeg hij plots.
Ik schrok. “Ik red me.”