De gymzaal leek de adem in te houden.
De envelop in Calebs handen trilde nauwelijks, maar in de stilte die volgde, voelde het alsof zelfs de kleinste beweging een donderklap kon veroorzaken.
Patrick stond roerloos naast mij. Zijn gezicht was strak, bijna uitdrukkingsloos, maar zijn ogen schoten kort naar de envelop — een fractie van een seconde te lang om toevallig te zijn.
Mijn maag trok samen.
“Caleb,” fluisterde ik, maar mijn stem verdween in het niets.
Mijn zoon keek niet naar mij.
Hij keek alleen naar hem.
Caleb scheurde de envelop niet open. Hij deed iets veel erger: hij hield hem omhoog zodat iedereen hem kon zien.
“Ik heb dit maanden geleden gevonden,” zei hij. Zijn stem was schor, maar duidelijk genoeg om de achterste rij te bereiken. “Ik wist niet wat ik ermee moest doen. Ik dacht dat ik het verkeerd begreep.”
Een paar leraren keken elkaar verward aan. De rector zette een stap naar voren, alsof hij wilde ingrijpen, maar bleef toch staan.
Caleb ademde diep in.
“Dit zijn de brieven van universiteiten. Van beurzen. Van toelatingen.”
Er ging een golf van gefluister door de zaal.
Ik voelde mijn hartslag in mijn keel.
Universiteitsbrieven?
Caleb slikte.
“Brieven die nooit bij mij zijn aangekomen.”