We keken allebei naar Arnav, die lachend achter een bal aanrende.
“Nee,” zei ze zacht. “Dat weet ik.”
Er viel een stilte.
Maar deze keer voelde die niet ongemakkelijk.
Eerder… open.
“Wat wil je dan?” vroeg ik uiteindelijk.
Ze dacht even na.
“Eerlijk?” zei ze.
Ik knikte.
“Een kans om opnieuw… aanwezig te zijn,” antwoordde ze. “Voor hem. Op een manier die ik eerder niet kon.”
Ik bestudeerde haar gezicht.
Er zat geen haast in haar blik. Geen verwachting.
Alleen… hoop.
En misschien een beetje angst.
“Dat zal tijd kosten,” zei ik.
“Dat begrijp ik.”
“En grenzen,” voegde ik toe.
“Ook dat.”
Ik knikte langzaam.
Voor het eerst voelde het gesprek niet als een strijd.
Maar als een onderhandeling.
Aan het einde van de dag stonden we weer bij de poort.
Net als gisteren.
Maar alles was anders.
Arnav zwaaide enthousiast.
“Kom je morgen weer?”
Ze glimlachte zacht.
“We zullen zien,” zei ze, terwijl ze even naar mij keek.
Ik aarzelde.
Een moment.
Een beslissing.
“Je kunt langskomen,” zei ik uiteindelijk. “Maar bel eerst.”
Ze knikte.
“Dat zal ik doen.”
Ze draaide zich om en liep weg.
Niet gehaast.
Niet aarzelend.
Gewoon… rustig.
Ik keek haar na tot ze uit het zicht verdween.
Toen voelde ik een kleine hand in de mijne.
Arnav.
“Papa?”
“Ja?”
Hij keek me aan.
“Ze komt terug, toch?”
Ik keek naar de lege straat.
En toen weer naar hem.
“Misschien,” zei ik eerlijk.
Hij knikte, alsof dat genoeg was.
En terwijl we samen naar binnen liepen, besefte ik iets.
Niet alles wat terugkomt, is bedoeld om te blijven.
Maar soms…
is het bedoeld om iets recht te zetten.
En misschien—
heel misschien—
om opnieuw te beginnen.