Ik draaide me langzaam om.
Een oude blauwe bestelwagen stond geparkeerd aan de rand van de stoep. De koplampen verlichtten half de straat, half mijn gezicht. Achter het stuur zat een vrouw van rond de zestig met grijs haar dat slordig onder een wollen muts uitstak.
Ze keek me niet streng aan.
Ze keek bezorgd.
“Meisje…” zei ze zachter terwijl ze uitstapte. “Je bibbert helemaal.”
Mijn eerste instinct was achteruit stappen.
De wereld had me die nacht al geleerd dat vertrouwen gevaarlijk was.
Ik drukte mijn zoon dichter tegen mijn borst.
“Ik red me wel,” loog ik.
De vrouw keek naar de dunne deken rond de baby, naar mijn ziekenhuissokken, naar het bloed dat nog zichtbaar was op mijn jas.
Ze wist meteen genoeg.
“Nee,” zei ze rustig. “Dat doe je niet.”
Ik wilde sterk blijven. Echt waar.
Maar toen begon mijn baby opnieuw te huilen.
En iets in mij brak.
Niet luid.
Niet dramatisch.
Gewoon stilletjes vanbinnen.
De vrouw kwam langzaam dichterbij, voorzichtig alsof ze een gewond dier benaderde.
“Hoe heet hij?”
Ik keek naar mijn zoon.
“Lucas.”
Ze glimlachte zacht.
“En jij?”
“Emma.”
“Emma,” zei ze rustig, “ik heet Teresa. Kom alsjeblieft even in de wagen zitten. Alleen om warm te worden.”
Ik aarzelde.
Alles in mijn hoofd schreeuwde dat ik nee moest zeggen.