Ze sloot haar ogen.
“Ik probeerde het.”
Die woorden deden pijn.
Omdat ik meteen wist wat ze bedoelde.
Ik herinnerde me de avonden waarop ik langer op kantoor bleef.
De keren dat ik zei dat ik te moe was om te praten.
De gesprekken die ik afkapte omdat ik dacht dat werk belangrijker was.
Hoe vaak had ze geprobeerd?
Hoe vaak had ik niet geluisterd?
Sarah keek naar het ziekenhuisbandje om haar pols.
“Na de scheiding wilden de artsen extra onderzoeken doen.”
Ik slikte.
“En?”
“Ze wilden zeker weten dat alles stabiel bleef.”
“Wat betekent stabiel?”
Ze aarzelde.
Toen zei ze:
“Het betekent dat ze de aandoening goed in de gaten houden.”
Mijn gedachten schoten alle kanten op.
Maar iets aan haar houding vertelde me dat ze nog niet alles had gezegd.
Ik kende haar.
Of tenminste, ik dacht dat ik haar kende.
Wanneer Sarah bang was, draaide ze altijd eerst om de waarheid heen.
Niet om te liegen.
Maar om zichzelf tijd te geven.
“Wat vertellen de artsen precies?” vroeg ik.
Ze keek naar het raam aan het einde van de gang.
Buiten viel een zachte zomerregen.
“Ze zeggen dat de behandeling goed aanslaat.”
Ik knipperde verbaasd.
“Behandeling?”
Nu voelde ik echt hoe mijn hart sneller ging slaan.
“Sarah…”
Ze legde haar hand op de mijne.
“Rustig.”
Maar rustig was het laatste wat ik kon zijn.
Twee maanden geleden had ik gedacht dat onze levens alleen uit verdriet en afstand bestonden.
Nu zat ze hier in een ziekenhuisjasje.
Onder behandeling.
En ik wist nergens van.
“Nadat we uit elkaar gingen,” zei ze, “ben ik begonnen met alle afspraken die ik steeds had uitgesteld.”
Ik luisterde aandachtig.
“Ik wilde eindelijk voor mezelf zorgen.”
Een verpleegkundige liep langs.
Het gesprek viel even stil.
Toen vervolgde Sarah:
“De artsen ontdekten dat veel van mijn vermoeidheid niet alleen door verdriet kwam.”
Mijn maag draaide om.
Al die keren dat ze zei dat ze moe was.
Dat ze zich niet goed voelde.
Dat ze rust nodig had.
Hoe vaak had ik gedacht dat het gewoon stress was?
Hoe vaak had ik mezelf overtuigd dat het vanzelf beter zou worden?
Veel te vaak.
“Ik ben hier vandaag voor een controle,” zei ze.
“Alleen daarvoor?”
Ze knikte.
“Ja.”
Dat antwoord verraste me.
Ik had mezelf al voorbereid op veel erger nieuws.
Misschien zag ze mijn opluchting.
Want voor het eerst verscheen er een kleine glimlach op haar gezicht.
“Je denkt altijd meteen aan het ergste.”
Ik lachte nerveus.
“Misschien.”
Een paar seconden zaten we zwijgend naast elkaar.
Net als vroeger.
Maar anders.
Voorzichtiger.
Alsof twee mensen een brug probeerden terug te vinden die ooit was ingestort.
Toen keek Sarah me opeens aan.
“Mag ik je iets vragen?”
“Natuurlijk.”
“Ben je gelukkig?”
De vraag trof me onverwacht.
Ik opende mijn mond.
Maar er kwam geen antwoord.
Want de waarheid was ingewikkeld.
Mijn appartement was stil.
Mijn werk ging goed.
Mijn rekeningen werden betaald.
Alles functioneerde.
Maar gelukkig?