De stilte die volgde was niet zomaar stil. Het was het soort stilte waarin iedereen zijn eigen gedachten hoorde schreeuwen.
Ik voelde nog steeds de warmte van Alexanders hand op de mijne, maar mijn hoofd draaide. Verloofde? Ik had hem al maanden niet gesproken. Niet sinds die ene zakelijke ontmoeting waar hij nauwelijks twee zinnen tegen me had gezegd. En toch stond hij hier, in onze keuken, alsof hij precies wist wat hij deed.
Mijn moeder was de eerste die haar stem terugvond.
“Verloofde?” herhaalde ze scherp, alsof het woord zelf niet paste in haar huis. “Emma heeft nooit iets gezegd over—”
“Dat klopt,” onderbrak Alexander rustig.
Hij liet mijn hand los, maar ging geen stap achteruit. In plaats daarvan keek hij mijn vader recht aan, alsof hij de hele kamer al had ingeschat en zijn conclusie klaar had.
“Ze heeft het niet verteld omdat ze geen reden had om over mij te praten in een huis waar ze blijkbaar niet eens als gast wordt behandeld.”
Mijn vader slikte.
Ik zag het in zijn gezicht: niet alleen verwarring, maar ook iets anders. Herkenning. Het soort herkenning dat je krijgt wanneer een naam eindelijk een puzzelstuk op zijn plaats zet.