Ik draaide me langzaam om. Het zwakke licht van de straatlantaarns tekende slechts vage schaduwen, maar ik zag genoeg om te weten dat er iemand stond. Hoog, slank, en stil. Het gezicht was deels verborgen door een capuchon.
“Wie… wie is daar?” vroeg ik, mijn stem trillend, ondanks dat ik probeerde kalm te blijven.
Er kwam geen antwoord. Alleen het geluid van mijn eigen ademhaling en het zachte geritsel van bladeren in de nachtwind.
Ik voelde mijn hart in mijn keel bonzen en nam een stap achteruit. Mijn blik gleed naar de telefoon op het graf van mijn vader. Het scherm brandde nog steeds, maar ik zag dat er een nieuw bericht klaarstond om te verzenden. Het trilde zacht.
“Meredith…” Een stem, laag en bekend, sneed door de stilte. Mijn adem stokte.
Ik draaide me nogmaals om. “Wie is daar? Wat doe je hier?”
De figuur stapte een paar passen dichterbij, en in het licht van de straatlantaarn zag ik zijn ogen. Donker, scherp. Onmiskenbaar bekend, maar ook vreemd.
Het was niet mijn vader.
“Papa…?” fluisterde ik, mijn stem nauwelijks hoorbaar.
De man schudde zijn hoofd. “Nee, maar ik ken hem goed genoeg om je te helpen. Je moet me vertrouwen, Meredith.”
Ik knipperde met mijn ogen, verbijsterd. “Wie bent u? Wat wilt u van mij?”