De eerste uren in de kelder voelden als een waas.
Niet omdat ik niet helder kon denken—maar omdat mijn lichaam weigerde te accepteren wat er was gebeurd.
Ik zat op de koude betonnen vloer met Emily tegen mijn borst gedrukt. Haar kleine handje kneep reflexmatig in mijn blouse, alsof ze wist dat ik haar enige houvast was. Haar huilen ging door merg en been.
“Rustig maar, liefje… ik ben hier,” fluisterde ik.
Mijn stem trilde, maar ik dwong mezelf kalm te blijven.
Paniek zou ons niet helpen.
Ik keek rond.
De kelder was niet volledig leeg. Er stonden oude dozen, een kapotte stoel, een metalen rek en een kleine vriezer die al jaren niet meer gebruikt werd. In de hoek zag ik een oude wasbak met een kraan.
Ik kroop ernaartoe.
Toen ik de kraan opendraaide, duurde het even—maar toen kwam er water uit.
Dat was het eerste kleine wonder.
Ik slikte de opluchting weg.
“Oké… we hebben water,” fluisterde ik, meer tegen mezelf dan tegen Emily.
Ik begon systematisch te denken.
Niet als een slachtoffer.
Maar als iemand die moest overleven.
In de luiertas die Karen had meegegooid, vond ik een paar flessen, melkpoeder, luiers en een dun dekentje. Niet genoeg voor twee weken… maar genoeg om te beginnen.
Ze hadden niet verwacht dat het zo lang zou duren.
Of… ze hadden er gewoon niet over nagedacht.
Die gedachte was erger.
De eerste nacht sliep ik nauwelijks.
Elke keer dat Emily bewoog, werd ik wakker. Elke keer dat ze huilde, voelde het alsof de muren dichterbij kwamen. Ik probeerde haar warm te houden met mijn eigen lichaam.
De tijd verloor betekenis.