De kamer werd plotseling kleiner.
Niet letterlijk—maar zo voelde het toen mijn ogen bleven hangen op dat ene detail achter Rosie.
Het jachtgeweer.
Mijn adem stokte zo hard dat de agent naast me meteen “Mevrouw?” zei, maar zijn stem kwam van ver.
Heel ver weg.
Alsof ik onder water stond.
“Dat is mijn baby,” fluisterde ik.
De foto trilde in mijn handen.
Rosie huilde. Haar gezichtje rood, haar armpjes omhoog. Ze probeerde iets te begrijpen dat geen enkele baby ooit zou moeten begrijpen: waarom haar moeder er niet was.
En achter haar hing dat wapen.
Netjes.
Aan de muur.
Alsof het daar thuishoorde.
De politieagent pakte mijn telefoon niet meteen aan. Hij keek eerst naar mijn gezicht.
“Mevrouw, blijf bij ons. We regelen dit.”
Maar ik hoorde hem nauwelijks.
Mijn vingers gingen al naar het scherm.
Marcus.
Een bericht.
Nog één foto.
Rosie lag nu op een bank, ingepakt in een vreemde deken. Haar speen was verdwenen.
Ik stond op.
“Waar is hij?” vroeg ik.
“Mevrouw—” begon de agent.
“WAAR IS MIJN BABY?”