Blake bleef enkele seconden bewegingloos staan. De drukte rondom de luchthaven leek volledig te verdwijnen. Auto’s reden af en aan, chauffeurs riepen namen van passagiers en koffers rolden over het trottoir, maar voor hem bestond alleen nog het tafereel voor zijn ogen.
De drie jongens hielden mijn handen stevig vast en keken nieuwsgierig naar de lange man die hen sprakeloos aanstaarde.
“Emma…” zei hij opnieuw, dit keer nauwelijks hoorbaar. “Hoe oud zijn ze?”
Ik haalde rustig adem.
“Vier jaar.”
Hij sloot even zijn ogen, alsof hij in stilte rekende. Toen keek hij me weer aan.
“Vier…”
Zijn stem brak.
“Ze zijn… van mij, nietwaar?”
Ik knikte langzaam.
“Ja, Blake.”
Zijn schouders zakten omlaag alsof hij in één moment alle kracht verloor die hem jarenlang overeind had gehouden.
“Waarom?” vroeg hij met trillende stem. “Waarom wist ik dit niet?”
Ik keek naar de jongens.
“Jullie mogen alvast met Thomas naar de auto lopen,” zei ik glimlachend.
Onze chauffeur stapte uit de Bentley en nam vriendelijk hun kleine rugzakken aan. De jongens zwaaiden nog even voordat ze instapten.
Pas toen ze veilig in de auto zaten, draaide ik me weer naar Blake.
“Je herinnert je de avond van onze laatste ruzie nog?”