De jongere agent schoof een foto naar me toe.
“Kent u deze man?”
Ik keek naar de afbeelding.
Het was Mark.
Maar de foto leek ouder.
Hij had korter haar en geen bril.
“Dat is mijn buurman.”
De agent zuchtte.
“Niet helemaal.”
Ik fronste.
“Wat bedoelt u?”
Hij draaide de foto om.
Op de achterkant stond een andere naam.
David Mercer.
Mijn maag draaide om.
“Dat is onmogelijk.”
“Dat dachten wij ook.”
De oudste agent leunde naar voren.
“Uw buurman gebruikte niet zijn echte naam.”
Een koude rilling liep over mijn rug.
“Wie is hij dan?”
“Dat proberen we uit te zoeken.”
De kamer voelde plotseling kleiner.
De agent vervolgde.
“Vrijdagavond ontvingen wij informatie over een man die mogelijk onder een valse identiteit leefde.”
“En nu is hij verdwenen.”
“Ja.”
Ik dacht terug aan alle gesprekken die ik ooit met Mark had gehad.
Over het weer.
Over tuinieren.
Over voetbal.
Allemaal normaal.
Of zo had het geleken.
“Maar wat heeft dat met mijn tuin te maken?”
De agenten zwegen even.
Toen antwoordde de oudste.
“Dat hopen wij van u te horen.”
Ik staarde hem aan.
“Ik weet niets.”
Hij knikte.
“Dat geloven we.”
Na nog enkele vragen vertrokken ze.
Maar voordat ze gingen, zei één van hen iets dat me niet losliet.
“Als u iets ongewoons vindt in dat gat, raak het dan niet aan. Bel onmiddellijk.”
Die nacht sliep ik nauwelijks.
Ik bleef denken aan de woorden:
Niet zijn echte naam.
Onder valse identiteit.
Verdwenen.
Toen de zon opkwam, stond ik al buiten.
Ik liep naar het gat.
Nu ik beter keek, zag ik dat het dieper was dan ik eerst had gedacht.
Bijna twee meter op sommige plekken.
Waarom zou iemand zoveel moeite doen?
En belangrijker:
Waarom in mijn tuin?
Ik pakte een zaklamp en scheen langs de wanden.
Eerst zag ik niets bijzonders.
Alleen aarde.
Wortels.
Stenen.
Toen viel mijn oog op iets ongewoons.
Een hoek van metaal.
Half verborgen in de grond.
Mijn adem stokte.
Voorzichtig verwijderde ik wat losse aarde.
Het was geen schat.
Geen kist.
Geen machine.
Het leek op een oude metalen doos.
Ik herinnerde me onmiddellijk de waarschuwing van de politie.
Dus raakte ik niets verder aan.
Ik pakte mijn telefoon.
Twintig minuten later stonden dezelfde agenten opnieuw in mijn tuin.
Dit keer kwamen er ook twee specialisten mee.
Voorzichtig werd de grond rondom de doos weggehaald.
Iedereen keek gespannen toe.
Toen werd de doos geopend.
Tot mijn verbazing zaten er geen waardevolle spullen in.
Geen geld.
Geen sieraden.
Alleen papieren.
Honderden papieren.
Mappen.
Enveloppen.
Documenten.
De agenten werden direct serieus.
Een van hen begon de inhoud vluchtig door te bladeren.
Zijn ogen werden groter.
“Dit moet naar het bureau.”
Meer zei hij niet.
Maar ik wist dat het belangrijk was.
Heel belangrijk.
De volgende dagen hoorde ik niets.
Absoluut niets.
Geen telefoontjes.
Geen updates.
Geen antwoorden.
Tot woensdagmiddag.
Toen werd ik opnieuw uitgenodigd op het politiebureau.
Dezelfde agent zat tegenover me.
Dit keer zag hij er anders uit.
Minder gespannen.
Bijna opgelucht.
“Ik denk dat we eindelijk begrijpen waarom uw buurman groef.”
“Waarom?”
Hij schoof een dossier naar voren.