De gesprekken vielen onmiddellijk stil.
Julien glimlachte zelfverzekerd.
“Perfect. Dan kunnen we eindelijk afrekenen met dit toneelstuk.”
Meester Laurent zette zijn tas op tafel.
“Dat lijkt mij verstandig.”
Twintig minuten later stond de hele familie in de voormalige werkkamer van André.
De ruimte rook nog steeds naar boeken, oud hout en de lichte geur van de aftershave die hij jarenlang had gebruikt.
Aan de achterkant van een ingebouwde kast bevond zich een stalen deur.
De kluis.
Julien stapte meteen naar voren.
“Geef mij de sleutel.”
Claire negeerde hem.
Ze draaide zich naar meester Laurent.
“Zullen we beginnen?”
De advocaat knikte.
Claire haalde een kleine sleutel uit haar handtas.
Niet omdat zij de eigenaar was.
Maar omdat haar vader haar enkele weken voor zijn overlijden had gevraagd die te bewaren.
Voor het geval dat.
Ze stak de sleutel in het slot.
Een zachte klik volgde.
Daarna draaide ze langzaam aan de hendel.
De zware deur ging open.
Iedereen hield zijn adem in.
Julien duwde bijna een neef opzij om beter te kunnen kijken.
Zijn gezicht straalde verwachting uit.
Alsof hij elk moment miljoenen euro’s zou ontdekken.
Maar toen de deur volledig openzwaaide, verscheen er iets onverwachts.
Geen stapels geld.
Geen juwelen.
Geen verborgen goud.
Alleen drie ordners.
Een verzegelde envelop.
En een kleine houten doos.
De stilte werd bijna tastbaar.
“Wat is dit?” vroeg Élodie.
Julien fronste.
“Waar is de rest?”
Meester Laurent pakte de envelop.
Op de voorkant stond in het handschrift van André:
Te openen in aanwezigheid van mijn familie.
De advocaat verbrak het zegel.
Binnenin zat een brief.
Hij begon voor te lezen.
“Als jullie deze woorden horen, ben ik er niet meer.
Ik hoop dat jullie vandaag niet alleen nadenken over wat ik achterlaat, maar ook over wat werkelijk waarde heeft.
De afgelopen jaren heb ik veel tijd gehad om na te denken.