Ik bleef een paar straten achter Bob rijden.
Mijn handen hielden het stuur zo stevig vast dat mijn vingers pijn deden.
Drie jaar lang had ik mezelf verteld dat ik geduldig moest zijn.
Dat een huwelijk betekende dat je elkaar steunde.
Dat sommige familieleden nu eenmaal extra zorg nodig hadden.
Maar nu wist ik niet meer wat echt was en wat een zorgvuldig opgebouwde leugen was.
Bob reed niet naar een ziekenhuis.
Niet naar een verpleeghuis.
Niet naar een huis van een oude, zieke oom.
Hij reed naar een rustige wijk aan de andere kant van de stad.
Een wijk waar ik nog nooit eerder was geweest.
Mijn hart begon sneller te kloppen toen hij voor een klein, netjes onderhouden huis stopte.
Hij keek om zich heen voordat hij uitstapte.
Alsof hij bang was dat iemand hem zou zien.
Ik parkeerde verderop en bleef in mijn auto zitten.
Toen zag ik een vrouw de voordeur openen.
Bob glimlachte.
Niet de vermoeide glimlach die hij thuis gebruikte wanneer hij zei dat hij weer een lange avond achter de rug had.
Nee.
Het was een glimlach die ik al jaren niet meer van hem had gezien.
Een glimlach van iemand die blij was om ergens te zijn.
De vrouw omhelsde hem.