De kamer werd stil.
Ik herinner me nog steeds hoe de woorden in de lucht bleven hangen.
“Jij had het moeten zijn.”
Marissa was pas negen jaar oud. Ze begreep verdriet niet. Ze begreep verlies niet. Ze begreep alleen dat haar moeder weg was en dat iemand de schuld moest krijgen.
Robert knielde onmiddellijk naast haar neer.
“Dat meen je niet, schat,” zei hij zacht.
Maar Marissa trok haar arm weg.
Vanaf dat moment ontstond er een scheur in ons gezin.
Eerst was die klein.
Bijna onzichtbaar.
Toen werd hij elk jaar groter.
Ik probeerde haar te helpen. Ik betaalde later haar studieboeken. Ik reed haar naar sollicitatiegesprekken. Toen ze op haar drieëntwintigste haar baan verloor, liet ik haar maandenlang gratis in mijn appartement wonen.
Toch leek niets ooit genoeg.
Volgens Marissa had ik altijd meer gekregen.
Meer aandacht.
Meer liefde.
Meer kansen.
Het maakte niet uit hoeveel keer Robert uitlegde dat hij ons allebei als zijn dochters zag.
In haar hoofd bleef er een verschil bestaan.
Een verschil dat alleen zij zag.
Nu stonden we op de parkeerplaats van het uitvaartcentrum.
Onze vader was nog geen twee uur begraven.
En toch sprak zij al over geld.
“Ik ga naar de advocaat,” zei ze.