Derek stond midden op de mat en draaide zijn schouders los alsof hij zich voorbereidde op een groot gevecht. Zijn zelfvertrouwen vulde de hele achtertuin.
“Nou, Laurel,” zei hij met een spottende glimlach, “laat eens zien wat ze je op kantoor hebben geleerd.”
Een paar familieleden lachten ongemakkelijk.
Ik stapte rustig de mat op en keek hem recht aan.
“Dit gaat niet over mij,” zei ik kalm. “Dit gaat over respect.”
Derek rolde met zijn ogen.
“Daar heb je weer zo’n preek.”
Ik reageerde niet.
In plaats daarvan nam ik een ontspannen houding aan. Jaren van training hadden me geleerd dat kalmte vaak krachtiger was dan agressie.
Derek kwam dichterbij.
“Ben je bang?”
“Nee.”
“Dan begin ik.”
Hij deed een snelle beweging naar voren, duidelijk bedoeld om indruk te maken op het publiek. Het was niet bijzonder technisch of gecontroleerd. Het was het soort actie van iemand die gewend was dat niemand hem tegensprak.
Binnen een seconde verloor hij zijn evenwicht.
Niet omdat ik hem aanviel.
Ik stapte simpelweg opzij.
Derek struikelde een paar passen naar voren terwijl verschillende familieleden verbaasd toekeken.
Zijn gezicht werd rood.
“Gelukje,” mompelde hij.
Ik zei nog steeds niets.
Dat maakte hem alleen maar bozer.