De gang voelde plotseling smaller, alsof de muren zich naar mij toe bogen. Mijn ademhaling was oppervlakkig, maar mijn gedachten werden juist helder. Scherp. Koel.
Ze dachten dat ik niets wist.
Ze dachten dat ik zwak was.
Een “melkkoe”.
Ik keek naar het cadeautasje in mijn hand – een zacht dekentje, een zilveren rammelaar met de naam van de baby gegraveerd. Mijn nichtje. Of… misschien niet eens dat.
Langzaam draaide ik me om en liep terug naar de halfopen deur.
Ik duwde hem niet meteen open. Eerst luisterde ik nog één seconde.
Kevin lachte. “Over een paar maanden regelen we het huis. Ze vertrouwt me blind. Alles staat op haar naam, maar ze tekent wat ik voorleg.”
Mijn moeder antwoordde zonder aarzeling: “Ze heeft altijd bevestiging nodig gehad. Geef haar een paar lieve woorden en ze doet alles.”
Sierra zuchtte tevreden. “Zodra de erfenis van oma vrijkomt, zijn we vrij.”
Dat was het moment.
Niet de affaire. Niet de baby.
Maar het gemak waarmee ze mijn vertrouwen als gereedschap bespraken.
Ik duwde de deur open.
Het geluid van het scharnier was klein, maar in de stilte klonk het als een donderslag.