Emilia bleef nog een paar seconden stil staan op het trottoir van Vila Madalena. Auto’s reden langs, mensen liepen voorbij, maar voor haar leek de wereld even stil te staan. De koude modder droop van haar blouse en haar handen trilden licht terwijl ze nog steeds beschermend over haar buik lagen.
Langzaam haalde ze adem.
De baby bewoog zacht.
“Het is oké,” fluisterde ze, bijna onhoorbaar. “Wij redden ons wel.”
Een oudere vrouw die het tafereel had gezien, kwam voorzichtig naar haar toe en raapte een paar sinaasappels van de grond. “Mevrouw, gaat het wel met u?”
Emilia knikte zwakjes. “Ja… dank u.”
Maar vanbinnen voelde ze iets anders dan verdriet. Iets dat ze twee jaar geleden niet had gehad.
Kracht.
Toen Ricardo haar had verlaten na de dood van hun dochter Sofia, was Emilia gebroken geweest. Hij had haar achtergelaten op het moment dat ze hem het meest nodig had. Terwijl zij nog probeerde te begrijpen hoe haar wereld in één nacht was ingestort, had hij besloten dat zij een last was geworden.
Hij was vertrokken zonder om te kijken.
Wat hij nooit had geweten, was dat Emilia daarna niet was blijven stilstaan.