Elena voelde haar hart niet eens sneller kloppen toen ze de jonge vrouw zag binnentreden. Ze had Raúl al twaalf jaar lang zien liegen, zien bedriegen, en elk deel van haar had geleerd om emoties te begraven onder een ijzige façade. Nu stond de bron van zijn bedrog daar, glimlachend alsof ze triomfeerde.
Raúl, verzwakt en mager, draaide zich langzaam om, zijn ogen groot van herkenning en iets van hoop.
“Clara…” fluisterde hij, zijn stem gebroken door pijn en zwakte.
Elena hield haar gezicht kalm. Ze bewoog geen spier, haar handen stevig om zijn bedleuning geklemd. “Hallo, Clara,” zei ze langzaam, haar toon koel maar helder.
De jonge vrouw stopte abrupt. Haar glimlach vervaagde, vervangen door lichte verwarring. “Elena… ik… ik wist niet dat… dit…” Ze keek naar Raúl, die nu bijna op zijn knieën leek te vallen van zwakte.
Elena stapte naar voren. Elke beweging was rustig, gecontroleerd. “Jij wist niet dat ik hier was?” vroeg ze zacht. Haar stem droeg geen boosheid, geen wrok. Alleen een koele zekerheid die duidelijk maakte dat dit moment niet aan emoties werd overgelaten.
Clara slikte. “Ik… ik wist niet dat hij zo ziek was. Ik… ik dacht dat…”
“Dat hij gelukkig was?” vulde Elena aan, haar stem nog steeds even beheerst. “Dat hij je liefde kon geven zoals hij dat ooit deed?”