Die ochtend was ik nog steeds verdoofd door de woorden van Michael. Zijn stem, normaal zo vertrouwd en geruststellend, had iets onmiskenbaar kils in zich gedragen. Hij had me iets verteld dat ik niet had willen horen. Iets dat mijn hele wereld op zijn kop zette, op het moment dat ik het meest kwetsbaar was.
De zon scheen zacht door het raam van onze slaapkamer, maar het licht voelde scherp, bijna vijandig. Mijn hart bonkte in mijn keel, mijn gedachten draaiden in cirkels. De baby in mijn buik schopte krachtig, alsof hij mijn angst voelde en probeerde me wakker te schudden.
Ik staarde naar Michael, die in stilte naar de grond keek, zijn handen verstrengeld alsof hij zo hoopte dat ik de kracht niet zou hebben om hem aan te kijken.
“Michael,” zei ik uiteindelijk, mijn stem trillend maar vastberaden. “Wat je me hebt verteld… dit verandert alles. Ik kan hier niet mee doorgaan.”
Hij keek op, zijn ogen wijd van paniek. “Wacht… Olivia, luister, het is niet wat je denkt…”
“Het is precies wat ik denk,” onderbrak ik hem, mijn handen op mijn buik. “Ik ben 35 weken zwanger, uitgeput, en jij vertelt me nu dat je gevoelens veranderd zijn? Dat je hier niet mee verder wilt? Dat je ons… ons kindje niet wilt beschermen?”
Michael sloeg zijn ogen neer. “Het is ingewikkeld… ik… ik dacht dat ik het aankon, maar ik… ik voel… ik weet niet hoe ik het moet doen…”
Ik schudde mijn hoofd en voelde de tranen opkomen, maar dit keer niet van verdriet. Dit was woede, mengeling van teleurstelling en verraden worden. “Michael,” zei ik zacht, maar met een scherpte die hem deed verstijven. “We hebben drie jaar gewacht, drie jaar gebeden, drie jaar alles gegeven om dit moment te bereiken. En jij… jij kiest ervoor te vluchten?”