Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat ze het zouden horen. Toch bleef ik roerloos liggen, mijn ademhaling langzaam en diep, alsof ik echt sliep.
“De dokter zei dat ze de laatste tijd verward is,” fluisterde Lucía. “Als we dat een paar keer herhalen, gelooft iedereen het.”
Javier zuchtte zacht. “Ik wil geen problemen. Ik wil alleen dat het huis op mijn naam komt. Daarna kunnen we rustig verder.”
Rustig verder.
Die woorden bleven in mijn hoofd hangen.
Het huis waar hij het over had, was niet zomaar een huis. Het was het huis van mijn vader. Een oud, ruim huis aan de rand van de stad dat al drie generaties in onze familie was. Toen mijn vader twee jaar geleden overleed, had hij het aan mij nagelaten.
Javier had toen gezegd dat hij trots op me was. Dat mijn vader me vertrouwde.
Maar nu wist ik beter.
Ik hoorde hoe hij laden opendeed en weer dichtdeed. Papieren werden verschoven, dozen verplaatst.
“Hier ligt het niet,” zei hij na een tijdje.
“Heb je de map met notarisdocumenten niet gezien?” vroeg Lucía.
“Die zou in de kast moeten liggen.”
Er viel een korte stilte.
Toen hoorde ik haar voetstappen dichterbij komen.
Mijn hart sloeg een slag over.
Ze stond naast het bed.
“Ze slaapt echt diep,” fluisterde ze.