Ik zat daar een paar seconden roerloos, met die envelop in mijn handen alsof hij elk moment kon verdwijnen als ik te snel ademde.
“Mama.”
Dat ene woord was genoeg om mijn keel dicht te knijpen.
Mijn zoon was dood.
En toch lag zijn handschrift hier, verborgen onder een vloerplank in een huis waar ik net als afval was weggegooid.
Ik keek naar de metalen doos naast de envelop.
Geen slot dat ik zomaar kon openmaken. Geen eenvoudige scharnieren. Dit was geen toevallige verstopplek.
Dit was gepland.
Mijn handen trilden terwijl ik de envelop voorzichtig openmaakte. Binnenin zat een dun vel papier, zorgvuldig gevouwen.
Ik herkende zijn handschrift meteen. Niet alleen de letters, maar de manier waarop hij soms iets harder drukte bij bepaalde woorden.
Alsof hij wilde dat ik het voelde, niet alleen las.
“Als jij dit leest, is er iets gebeurd dat ik niet meer kon tegenhouden.”
Mijn hart sloeg een slag over.
Ik ging langzamer zitten op de koude vloer van de hut.