De sirenes waren niet luid, maar voor Daniel en Vivian klonken ze als onweer dat steeds dichterbij kwam.
Toen er op de deur werd geklopt, rechtte Vivian haar rug alsof zij de eigenaar van het gebouw was.
“Ik doe wel open,” zei ze zelfverzekerd.
Twee agenten stapten naar binnen. Hun gezichten waren neutraal, professioneel.
“Goedenavond. We hebben een melding ontvangen van huiselijk geweld.”
Daniel wees onmiddellijk naar mij.
“Dat is een misverstand. Mijn vrouw is emotioneel. Ze overdrijft altijd.”
Een van de agenten keek naar mijn rode wang.
“Mevrouw, bent u degene die heeft gebeld?”
“Ja.”
De andere agent noteerde iets.
“Vertel ons wat er is gebeurd.”
Ik legde rustig uit dat Daniel mij had geslagen tijdens het avondeten. Geen geschreeuw. Geen drama. Alleen feiten.
Vivian schudde verontwaardigd haar hoofd.
“Ach, kom op. Het was maar een tikje. Tegenwoordig noemen mensen alles geweld.”
De agent keek haar strak aan.
“Mevrouw, een klap is geen ‘tikje’.”
Voor het eerst die avond verdween haar glimlach.
Daniel probeerde de situatie te redden.
“Luister, officier. Dit is een familiezaak. We lossen dit onderling wel op.”
“Dat bepaalt u niet,” antwoordde de agent.