De deuren van de kapel gingen langzaam open.
Het geluid van het strijkkwartet veranderde niet. De muziek bleef zacht, bijna verheven, alsof niets in de wereld kon misgaan in een ruimte die zo zorgvuldig was ingericht.
Maar ik voelde hoe elke stap van mijn vader naast me iets in de lucht deed verschuiven.
De geur van bloemen, kaarsen en dure parfums kwam me tegemoet.
En daar stonden ze.
Tweehonderd gasten.
Perfect gepositioneerd.
Perfect gekleed.
Perfect onwetend.
Een golf van fluisteringen ging door de zaal toen ze mij zagen.
Niet omdat ik er slecht uitzag.
Maar omdat ik er onmogelijk uitzag zoals ze hadden verwacht.
De vlek op mijn jurk was zichtbaar.
Donker.
Onmiskenbaar.
Een smet op alles wat deze mensen als “perfect” beschouwden.
En toch liep ik verder.
Niet sneller.
Niet langzamer.
Mijn vader hield mijn arm stevig vast, maar zijn hand trilde licht.
Aan het einde van het pad stond Daniel.