De deur sloeg zo hard dicht dat de glazen in de keukenkastjes rinkelden.
Ik bleef zitten.
Gewoon zitten.
Voor het eerst in jaren voelde ik geen behoefte om achter hem aan te gaan.
Niet om hem tegen te houden.
Niet om uit te leggen.
Niet om vrede te sluiten.
Niets.
Alleen stilte.
Een vreemde, bijna ongemakkelijke stilte.
Ik keek naar mijn telefoon.
Er stonden nog steeds de meldingen van de bank op het scherm.
Mijn bonus.
Het geld waarvoor ik maanden extra projecten had aangenomen.
Avonden had doorgewerkt.
Weekenden had opgeofferd.
En Sergey had het zonder één gesprek uitgegeven.
Niet gevraagd.
Niet besproken.
Gewoon besloten.
Alsof mijn inspanning vanzelfsprekend was.
Alsof mijn salaris een familiefonds was waar iedereen behalve ikzelf over mocht beschikken.
Die avond maakte ik een lijst.