Niet één document.
Maar meerdere.
Eigendomsakten.
Notariële verklaringen.
En een handgeschreven brief in Andrews bekende, iets scheve handschrift.
Mijn vingers trilden niet.
Niet meer.
“Dit huis,” zei ik langzaam, “staat niet op jouw naam, Patrick.”
De regen leek even te stoppen in mijn oren.
Patrick fronste.
“Onzin.”
Ik hield het document omhoog.
“Lees het dan.”
Margaret stapte naar voren en pakte het papier uit mijn hand. Haar ogen scanden de tekst snel. Te snel. Alsof ze hoopte dat het niet waar was.
Maar het was er.
Zwart op wit.
De villa, het landgoed, de grond… alles stond juridisch op naam van Andrew Callahan.
En Andrew had alles, drie weken voor zijn dood, overgezet.
Niet naar zijn ouders.
Niet naar een stichting.
Maar naar mij.
Margaret’s gezicht veranderde niet meteen. Eerst kwam verwarring. Dan ongeloof. En daarna iets wat ik nog nooit bij haar had gezien.
Angst.
“Dat kan niet,” fluisterde ze. “Andrew zou dat nooit zonder ons doen.”
Ik keek haar recht aan.
“Blijkbaar kende je je zoon minder goed dan ik.”
Patrick greep het document uit haar handen.
Zijn ogen schoten over de regels.
Zijn kaak verstrakte.
“Dit is manipulatie,” zei hij. “Dit is niet rechtsgeldig—”
“Het is notarieel geregistreerd,” onderbrak ik hem. “Twee weken voor zijn overlijden. Met zijn handtekening. En twee onafhankelijke getuigen.”
Een stilte viel.
Niet alleen buiten.
Maar ook binnen de villa.
Ik zag gezichten achter de ramen verdwijnen. Mensen liepen weg van het glas. Niemand wilde nog toeschouwer zijn.
Alleen getuige.