Lena bleef in de deuropening staan en keek Estelle aan alsof ze haar al veel langer kende dan de paar minuten die ze elkaar werkelijk hadden gezien. Haar kleine handen knepen het versleten knuffelkonijn stevig vast. Er lag geen koppigheid in haar blik, alleen angst. Een stille, diepe angst die een kind van haar leeftijd eigenlijk nooit zou moeten voelen.
Estelle slikte. Ze keek even naar Adrian, die zichtbaar verrast leek door de woorden van zijn dochter.
“Welke andere dame bedoel je, lieverd?” vroeg hij voorzichtig.
Lena antwoordde niet meteen. Ze liet haar ogen zakken naar de vloer.
“Die mevrouw met het rode jasje,” fluisterde ze uiteindelijk. “Ze zegt altijd dat ik moet glimlachen als mensen kijken. Maar als niemand kijkt, wordt ze boos.”
Er viel een ongemakkelijke stilte.
Estelle voelde instinctief dat dit geen gewone kinderfantasie was. In haar jaren als nanny had ze geleerd dat kinderen vaak gevoelens uitten op manieren die volwassenen gemakkelijk verkeerd begrepen.
Ze hurkte langzaam neer zodat haar gezicht op dezelfde hoogte kwam als dat van Lena.
“Mag ik naast je zitten?” vroeg ze zacht.
Lena knikte bijna onmerkbaar.
Estelle glimlachte vriendelijk.
“Niemand hoeft ergens heen als hij zich niet veilig voelt. We praten eerst rustig, goed?”
Voor het eerst verscheen er een klein beetje ontspanning op Lena’s gezicht.
Adrian keek zwijgend toe. Hij had de afgelopen maanden talloze kinderpsychologen, pedagogen en specialisten ingehuurd. Geen van hen had zijn dochter binnen enkele minuten zo rustig gekregen.
Misschien had hij zich toch niet vergist.
Even later zaten ze alle drie aan een kleine tafel achter in de cabine. Een steward bracht warme chocolademelk voor Lena en koffie voor Estelle.
“Vertel eens,” zei Estelle vriendelijk. “Wat vind jij leuk om te doen?”
Lena haalde haar schouders op.
“Vroeger tekende ik.”
“En nu niet meer?”
“Niet sinds mama er niet meer is.”