Cassie bleef staan in de regen.
De cheque in haar hand voelde plots niet als geld, maar als een slechte grap die iemand te laat had verteld.
Aan de overkant van de straat draaide de glazen draaideur van het gebouw langzaam rond. Wesley’s nieuwe vriendin verdween naar binnen alsof ze daar thuishoorde. Alsof Cassie daar nooit had bestaan.
De regen werd harder.
Maar Cassie bewoog niet.
Niet meteen.
Ze keek naar de stoeptegels onder haar voeten, naar het water dat zich verzamelde in kleine scheuren, alsof zelfs de stad moeite had om alles bij elkaar te houden.
Toen pas ademde ze uit.
Diep.
Trillerig.
En voor het eerst die dag voelde ze iets anders dan shock.
Ze voelde leegte.
Een uur later zat ze in een kleine koffiezaak drie blokken verderop.
De eigenaar had haar een servet gegeven zonder vragen te stellen. Waarschijnlijk omdat ze eruitzag alsof ze net uit iemands leven was gewist.
Cassie hield haar handen om een kop thee, niet omdat ze het koud had, maar omdat het iets gaf om vast te houden.
Ze keek naar haar telefoon.
Of wat er nog van over was.
Geen telefoon.