Die glimlach van Derek was anders dan normaal.
Niet zijn gebruikelijke arrogante grijns aan de eettafel, niet de zelfverzekerde houding van iemand die altijd denkt dat hij gelijk heeft.
Dit was iets anders.
Iets dat hij bewust had voorbereid.
Hij zat iets rechter, zijn handen ontspannen op tafel, alsof hij wachtte op applaus dat nog moest komen.
Mijn moeder zette het eten neer. Mijn vader schonk water in alsof dit gewoon een normale zondag was.
Maar ik voelde het meteen.
Er was iets gebeurd.
Derek kuchte.
“Dus,” zei hij langzaam, terwijl hij zijn best deed om nonchalant te klinken, “ik heb dat laptopdingetje van Marcus verkocht.”
De lepel van mijn moeder bleef in de lucht hangen.
“Wat bedoel je?” vroeg ze.
Derek keek naar mij.
“Die oude laptop van hem. Die hij altijd meesleept. Ik heb iemand gevonden die hem wilde kopen voor vijfhonderd dollar.”
Mijn vader lachte kort. “Goed gedaan, jongen. Hij gebruikt dat ding toch alleen maar voor z’n spelletjes.”
Mijn maag zakte weg.