Ik bleef nog een paar minuten achter die boom staan, terwijl het plein langzaam weer zijn gewone ritme aannam. Fietsers reden voorbij, een paar ouderen voerden broodkruimels aan duiven, en ergens in de verte klonk het geluid van een schoolbel.
Maar voor mij stond alles stil.
Ethan was al weg.
Het meisje ook.
En toch bleef het beeld hangen alsof het in mijn ogen was gebrand: mijn zoon die zijn lunch zorgvuldig in tweeën deelde, alsof dat het normaalste ter wereld was.
Toen ik eindelijk bewoog, voelde mijn benen zwaarder dan ze zouden moeten zijn. Ik liep langzaam terug naar de auto, maar in plaats van meteen te starten, bleef ik zitten met mijn handen op het stuur.
Mijn eerste instinct was woede.
Niet op Ethan—nog niet—maar op de situatie. Op het feit dat ik iets niet wist. Dat er een deel van zijn leven bestond waar ik geen toegang toe had.
Maar daaronder zat iets anders. Iets dat ik niet meteen wilde benoemen.