De metalen deur kraakte luid toen ik hem verder optilde. Het geluid sneed door de stilte van de oude garages als een waarschuwing die ik te laat begreep.
Binnen rook het naar stof, olie en iets dat lang geleden verlaten was. Het licht van mijn telefoon trilde in mijn hand terwijl ik de ruimte scande.
De garage leek leeg.
Bijna.
Totdat ik iets zag dat niet in deze plek thuishoorde: een kleine houten stoel tegen de muur, en daarnaast een kartonnen doos met vergeelde etiketten. Op de vloer lagen meerdere oude kranten, zorgvuldig op elkaar gestapeld, alsof iemand ze bewust had bewaard.
Mijn hart klopte zo hard dat het pijn deed.
“Hallo?” riep ik.
Mijn stem echode, maar er kwam geen antwoord.
Ik zette een stap naar binnen. Toen nog één.
En toen zag ik het: een map, half open op een werkbank achterin de ruimte. Alsof iemand hem net had gebruikt en was weggegaan zonder hem te sluiten.
Mijn vingers trilden toen ik hem opende.
Binnenin zaten foto’s.
Niet zomaar foto’s.
Foto’s van mij.
Van mijn man.