Ik sloeg langzaam de bladzijde om.
En voor het eerst sinds mijn vertrek begreep ik dat Sophie misschien wel de duurste fout van haar hele carrière had gemaakt.
Onderaan het document stond haar handtekening.
Maar dat was niet wat mijn aandacht trok.
Het was de clausule direct erboven.
Een clausule die we acht jaar eerder samen hadden laten opstellen toen het bedrijf nog niet meer was dan drie bureaus in een gehuurde loods buiten Lyon.
In die tijd hadden we geen investeerders.
Geen raad van bestuur.
Geen luxe kantoren.
Alleen ambitie.
En voorzichtigheid.
Onze eerste advocaat had erop gestaan een beschermingsmechanisme op te nemen.
Voor het geval één van de oprichters ooit probeerde de andere zonder toestemming uit het bedrijf te verwijderen.
Destijds hadden Sophie en ik er zelfs om gelachen.
“We gaan toch nooit ruzie krijgen,” had ze gezegd.
De advocaat had alleen geglimlacht.
“Dat zeggen ze allemaal.”
Nu las ik de tekst opnieuw.
Bij gedwongen verwijdering van een medeoprichter zonder voorafgaande arbitrage vervallen automatisch alle gedelegeerde stemrechten die aan de verwijderende partij zijn toegekend.
Daarnaast wordt de oorspronkelijke eigendomsstructuur onmiddellijk hersteld.
Ik las de zin drie keer.
Toen nog een vierde keer.
Mijn hart begon sneller te slaan.
Want acht jaar geleden had ik 62 procent van de aandelen ingebracht.
Niet in geld.
Maar in activa.
Contracten.
Klanten.
Logistieke software.