“Waarschijnlijk wel.”
Tussen de documenten vonden we een adresboekje.
De meeste pagina’s waren leeg, maar op één bladzijde stond een naam omcirkeld.
Anna Van Dijk.
Met een adres aan de andere kant van de stad.
Ronald keek me aan.
“Misschien moeten we proberen haar te vinden.”
Ik aarzelde.
“Misschien is het familie.”
Hij knikte.
“Of iemand die al jaren op antwoord wacht.”
Nog diezelfde middag reden we naar het adres.
Het bleek een klein huisje te zijn met een verzorgde tuin vol bloemen.
Een oudere vrouw deed open.
Toen Ronald voorzichtig de naam van meneer Van Dijk noemde, verstijfde ze.
“Waar heeft u die naam gehoord?” vroeg ze.
Ronald hield de foto omhoog.
De vrouw sloeg een hand voor haar mond.
Tranen verschenen onmiddellijk in haar ogen.
“Die foto…” fluisterde ze.
“Die heb ik hem zestig jaar geleden gegeven.”
We nodigden haar uit om te gaan zitten op het bankje voor haar huis.
Langzaam vertelde ze haar verhaal.
Willem en Anna waren ooit verloofd geweest.
Jaren geleden hadden misverstanden en familieproblemen hen uit elkaar gedreven.
Geen van beiden was ooit getrouwd.
Geen van beiden was de ander vergeten.
Maar na verloop van tijd had niemand nog geweten waar de ander woonde.
Ronald luisterde aandachtig.
Toen vroeg hij:
“Als u hem nog één keer kon spreken, zou u dat willen?”
Anna antwoordde zonder aarzeling.
“Elke dag.”
Die woorden bleven de hele terugweg door mijn hoofd spoken.
De volgende ochtend vroeg Ronald aan de coördinator van de gaarkeuken of iemand wist waar meneer Van Dijk was.
Na enkele telefoontjes ontdekten ze dat hij in het ziekenhuis lag voor observatie na een val.
Zijn toestand was stabiel.
Toen Ronald dat hoorde, glimlachte hij opgelucht.
En plotseling had hij een plan.
De dagen daarna bezocht hij na zijn vrijwilligerswerk zowel Anna als meneer Van Dijk.
Hij vertelde geen van beiden precies wat hij deed.
Alleen dat er iemand was die nog steeds aan hen dacht.
Langzaam begonnen hun gezichten op te lichten wanneer hij binnenkwam.
Op een middag kwam Ronald thuis met een grote glimlach.
“Ik denk dat het gaat lukken.”
“Wat gaat lukken?” vroeg ik.
Hij grijnsde.
“Dat zie je zaterdag.”
Zaterdag arriveerden we bij de gemeenschapszaal van het buurthuis.
Een paar vrijwilligers waren druk bezig met tafels en bloemen.
Ik begreep nog steeds niet wat Ronald van plan was.
Totdat ik Anna zag binnenkomen.
En enkele minuten later werd meneer Van Dijk naar binnen begeleid.
Hun blikken ontmoetten elkaar.
De zaal werd stil.
Niemand zei iets.
Anna liep langzaam naar hem toe.
Willem stond op.
Zijn ogen vulden zich met tranen.
“Anna?” zei hij zacht.
Alsof hij haar naam al tientallen jaren had bewaard.
Ze glimlachte.
“Je bent ouder geworden.”
Hij lachte door zijn tranen heen.
“Jij ook.”
Iedereen begon te glimlachen.
Ze gingen naast elkaar zitten en praatten urenlang.
Over vroeger.
Over de keuzes die ze hadden gemaakt.
Over de jaren die voorbij waren gegaan.
En over de herinneringen die nooit verdwenen waren.
Toen de bijeenkomst voorbij was, kwam de coördinator naar Ronald toe.
“Dit was jouw idee, hè?”
Ronald haalde zijn schouders op.
“Een beetje.”
De man glimlachte.
“Je hebt iets bijzonders gedaan.”
Ronald antwoordde niet.
Maar ik zag hoe trots hij was.
Die avond dacht ik terug aan alle momenten waarop hij het voetbalkamp had gemist.
Aan de grappen van zijn klasgenoten.
Aan de foto’s op sociale media.
Aan de pijn die hij had verborgen.
En ik vroeg me af of hij daar nog steeds verdriet van had.
Het antwoord kreeg ik sneller dan verwacht.
Een week later stond er een auto voor ons huis.
Een nette man stapte uit.
Hij stelde zich voor als directeur van het voetbalkamp.
Ik was verbaasd.
“Kan ik u helpen?” vroeg ik.