Ze onderzochten elke kamer.
De garage.
De kelder.
De zolder.
Ik hoorde hun voetstappen door het huis gaan.
Toen hoorde ik één van hen roepen:
“Hier moet u even komen kijken.”
Mijn maag draaide om.
De agent stond in James’ thuiskantoor.
Een kamer die ik sinds zijn overlijden nauwelijks had kunnen betreden.
Op het bureau lagen papieren verspreid.
Laden stonden open.
Mappen waren doorzocht.
“Er is ingebroken?” vroeg ik.
De agent knikte langzaam.
“Dat lijkt erop.”
Ik staarde naar de rommel.
“Maar waarom?”
Er waren geen televisies verdwenen.
Geen sieraden.
Geen laptops.
Niets waardevols.
Alleen documenten waren aangeraakt.
De tweede agent kwam binnen met een kleine metalen doos.
“Vonden we achter in een kast.”
Ik herkende hem meteen.
James bewaarde daarin belangrijke papieren.
Verzekeringen.
Contracten.
Administratie.
De doos was geforceerd opengebroken.
Maar de inhoud lag er nog.
Bijna alles.
Bijna.
Mijn blik bleef hangen op een lege plek.
Een map ontbrak.
“Wat zat daar?” vroeg de agent.
Ik dacht na.
Toen herinnerde ik het me.
“Financiële documenten.”
“Van uw man?”
Ik knikte.
De agent schreef iets op.
Op dat moment arriveerde ook de technische recherche.
En terwijl steeds meer voertuigen voor het huis verschenen, begonnen nieuwsgierige buren zich buiten te verzamelen.
De regen hield niemand tegen.
Tegen middernacht stond de straat vol mensen.
En ergens tussen alle activiteit verscheen ook een lokale verslaggever.
Blijkbaar was een politieonderzoek in onze rustige buurt al snel nieuws geworden.
Ik schonk er nauwelijks aandacht aan.
Mijn gedachten draaiden om iets anders.
Waarom zou iemand inbreken voor één specifieke map?
Rond twee uur ‘s nachts kwam een rechercheur naast me zitten.
“Mevrouw, mogen we u iets vragen?”
“Natuurlijk.”
“Hield uw man zich bezig met zakelijke kwesties die gevoelig konden liggen?”
Ik fronste.
“James was projectmanager.”
“Meer niet?”
“Niet dat ik weet.”
De rechercheur knikte langzaam.
Toen legde hij een foto op tafel.
“Kent u deze man?”
Mijn adem stokte.
Op de foto stond James.
Naast een onbekende man.
Ze stonden voor een gebouw dat ik niet herkende.
“Nee.”
“Deze foto is vorige maand genomen.”
Mijn verwarring groeide.
“Wat betekent dit?”
De rechercheur aarzelde.
“Dat proberen wij uit te zoeken.”
De nacht ging voorbij zonder antwoorden.
Maar tegen de ochtend gebeurde iets onverwachts.
Een buurvrouw bracht koffie.
Een andere buurman bracht dekens.
Mensen die ik nauwelijks kende, bleven vragen of ze konden helpen.
Terwijl mijn eigen familie volledig afwezig bleef.
Pas rond negen uur verscheen er een bericht van mijn moeder.
Hoe gaat het?
Dat was alles.
Geen excuses.
Geen bezorgdheid.
Gewoon drie woorden.
Ik antwoordde niet.
Tegen de avond verscheen het verhaal op het lokale nieuws.
Beelden van politieauto’s.
De straat.
Mijn huis.
De verslaggever vertelde over de inbraak en het lopende onderzoek.
Toen gebeurde iets wat ik niet had verwacht.
De nieuwsredactie had ook gesproken met buurtbewoners.
Eén van hen vertelde hoe ze mij de avond ervoor alleen uit de taxi had zien stappen met twee zware koffers.
Een ander vertelde dat ik net terug was van de begrafenis van mijn man.
En vervolgens verscheen een screenshot op het scherm.
Mijn hart sloeg een slag over.
De familiegroepschat.
Niet gedeeld door mij.
Maar door mijn nicht Sarah.
Blijkbaar had mijn moeder haar eerder die dag de berichten doorgestuurd, klagend dat ik “afstandelijk” deed.
Sarah had anders gereageerd.
Ze had de berichten aan een journalist laten zien.
Daar stond het.
Letter voor letter.
We hebben het druk. Neem een Uber.
Je had beter moeten plannen.
Heel de stad kon het lezen.
Mijn telefoon begon vrijwel onmiddellijk te rinkelen.
Eerst mijn broer.
Daarna mijn moeder.
Vervolgens mijn vader.